naar inhoud

Zijn werk

FOTO_WERKJosine_1902.tif

Voor Achterbos

Er is weinig werk van Jakob Smits bekend uit de periode vóór hij zich in Achterbos vestigt. Uit zijn studietijd dateert bv. de aquarel ‘De profeet Jona’ (JSM Mol), een kopie naar Michelangelo uit 1880. Van zijn academisch-decoratief werk uit de jaren 1882-1884 bleven enkele getekende voorstudies bewaard voor decoratieopdrachten van het Museum Boijmans te Rotterdam en het Teylers Museum te Haarlem.

Van 1885 tot 1887 werkt hij, in navolging van Albert Neuhuys, in de naturalistisch-impressionistische trant van de Haagse School. Een goed voorbeeld daarvan is het paneel ‘Vrouw bij de wastobbe’ (JSM Mol) uit 1886.

Eerste periode: 1888-1899

Van zodra hij in Mol-Achterbos woont, evolueert Smits resoluut weg van het Haagse impressionisme en gaat hij symbolistisch schilderen. Het is de periode van de grote aquarellen, vaak op goudgrond. ‘Mater Amabilis’ en ‘Mater Dei’ (JSM Mol), ‘Mater Dolorosa’ (KMSK Brussel), ‘Pieta’ (KMSK Antwerpen en MSK Gent), ‘Symbool der Kempen’ (MDD Deurle), ‘Salome’ (M. St.-Joost-ten-Node) zijn schitterende voorbeelden. Uit deze werken ‘ademt een idyllische, serene vrede’ (Vanbeselaere), ‘la vision en est ample et pleine de grandeur, le métier d’une habileté déconcertante’ (Marlier).

Smits schildert en tekent ook vele portretten, vooral van Malvina en van zijn kinderen Boby, Maguerite en Kobe, maar ook van vrienden en gewone mensen van Achterbos.

Tweede periode: 1900-1914

Vanaf 1900 schildert Smits grote olieverfcomposities, zoals ‘Mater Amabilis’ (KMSK Brussel), ‘Symbool der Kempen’ (KMSK Brussel), ‘Binnenhuis met wieg’ (KMSK Antwerpen) of ‘De Judaskus’ (KMSK Antwerpen). Met zin voor grootheid stelt hij de mens daarin centraal, de figuren vaak ten voeten uit. Het zijn doordachte composities, ‘tot in de kleinste bijzonderheden verantwoord, bewerkt en doorwerkt’ (De Nave). In zijn artistieke productie valt nu vaak het gebruik van het Rembrandtiaanse clair-obscur op. Voorbeelden zijn de portretten ‘De vader van de veroordeelde’ (KMSK Brussel), ‘Kobeke Smits’ (KMSK Antwerpen) of ‘Frederick Coburn’ (JSM Mol).

Omdat hij bijzonder weinig schilderijen verkocht, begon Smits omstreeks 1900 te etsen. In zijn grafisch werk – 89 nummers in totaal – komen dezelfde thema’s aan bod als in zijn schilderwerk: portretten, moeder en kind, Bijbelse taferelen, interieurs, landschappen, dorpsleven. In 1910 gaf hij een album met 25 etsen uit, opgedragen aan Koningin Elisabeth. Daarin vindt men meesterwerken als ‘De ossenkar’, ‘De aanbidding door de Wijzen’, ‘Slachtoffer van de arbeid’, enz.

Derde periode: 1918-1928

Tijdens WOI liet Smits penseel en krijt rusten. Nadien ging hij weer met volle overgave aan het werk. Hij verbaast de kunstwereld met schilderijen die pogen het licht zelf te vatten en te weerkaatsen. Het licht wordt een schilderkunstige obsessie voor hem; hij maakte van zijn atelier een lichtlaboratorium. Door voortdurend hernemen en overschilderen ontstaan de schilderijen met de typische dikke, gekorrelde verflaag. Mede door de verregaande vereenvoudiging van de lijnvoering wordt deze fase, die eigenlijk reeds vanaf 1912 begon, terecht expressionistisch genoemd.

Het is vooral met de meesterwerken die Smits na 1918 maakte dat zijn naam en faam in binnen- en buitenland gevestigd raakten : oorlogsherinneringen als ‘Bemint elkander’ (JSM Mol) en ‘De Vlag’ (Senaat Brussel), Bijbelse taferelen als ‘De stoet der Magiërs’ (KMSK Antwerpen) en ‘Christus en de overspelige vrouw’ (M. Boijmans-Van Beuningen Rotterdam, bruikleen JSM Mol), portretten als ‘Het bruidje’ (KMSK Antwerpen) en ‘Moederschap’ (MAM Luik), landschappen als ‘De aardappeloogst’ (KMSK Brussel), ‘De put’ (KMSK Antwerpen), ‘De hooikar’ (KMSK Antwerpen), ‘Het gouden ochtendgloren’ (KMSK Brussel, bruikleen JSM Mol) enz. Bij deze nieuwe visie en stijl sluiten ook de naoorlogse etsen aan, waaronder ‘De overspelige vrouw’, ‘Vertrek naar het veld’ en ‘De oogst.’