naar inhoud

Zijn leven

 Jakob en Josine Smits (links) en de ouders van hun schoonzoon Antoine André

Jakob Smits wordt op 9 juli 1855 in Rotterdam geboren. Zijn vader, Frans Smits, leidt daar een groot decoratiebedrijf. Hij was de oudste van zes kinderen. Zijn kinder- en jeugdjaren zijn karig gedocumenteerd. Al op jonge leeftijd is Jakob creatief. Het werkje, ‘moeder bij de wieg’, maakt hij op vijftienjarige leeftijd. Jakob studeert er aan de academie, maar men verwacht dat hij in de voetsporen van zijn vader zou treden als decorateur. Jakob verkeert echter in voortdurende tweestrijd, kiezen tussen het beroep als decorateur of voor ‘de echte kunst’. Hij stapt aanvankelijk in het ouderlijk bedrijf, maar vindt er zijn draai niet.

Op 18 jarige leeftijd vertrekt hij naar Brussel waar hij aan de academie studeert en drie jaar zal blijven, tot een ziekte hem dwingt terug te keren naar Rotterdam. Hij gaat na verloop van tijd weer aan de slag als decorateur, maar het blijft voor Smits moeilijk om vrede te vinden met dat beroep. In 1879 verlooft hij zich met Anna Doetje Kramer. Ondanks deze verbintenis trekt Smits naar München, Wenen en uiteindelijk Rome.

In 1882 huwt hij met Anna Doetje Kramer, uit dit huwelijk worden twee dochters geboren, Theodora en Annie. Het paar vestigt zich te Amsterdam, waar Smits zijn eerste decoratie-opdrachten uitvoert, o.a. voor het Museum Boijmans te Rotterdam. Hij geeft ook les aan de Kunstnijverheidsschool van Haarlem. Net zoals voorheen gaat het decoratiewerk hem na een tijd tegensteken en voelt hij zicht steeds meer geneigd om volledig voor de kunst te kiezen. In de winter van 1885-1886 lopen de spanningen hoog op. Smits verlaat zijn familie en trekt uiteindelijk naar Brussel.

Het Kempense landschap fascineert hem zodanig dat hij zich in 1888 definitief in het Molse gehucht Achterbos vestigt. Hij betrekt er een boerenhuisje, dat hij later voor 2.000 frank zal kopen. Geleidelijk bouwt hij dit uit tot het Malvinahof. In hetzelfde jaar huwt hij Malvina Dedeyn, dochter van een Brusselse advocaat, die haar om dit huwelijk onterft. Ondanks de armoede zijn dit wellicht de gelukkigste jaren van Smits’ leven geweest: hij werkt onvermoeibaar en ononderbroken aan de schepping van wat hij later zou noemen ‘mijn eenvoudig werk, symbolisch, poëtisch en echt.’ Voor zijn grote aquarellen op goudgrond krijgt hij in 1897 op tentoonstellingen te München en Dresden een gouden medaille. Hij schildert ook vele portretten, vooral van Malvina en van hun kinderen Boby, Marguerite en Kobe. In 1899 wordt hij echter zwaar beproefd: op enkele dagen tijd verliest hij zijn dochtertje Alice en zijn vrouw.

Twee jaar na de dood van Malvina huwt hij met de veel jongere Josine Van Cauteren. In hetzelfde jaar 1901 stelt de nu 46-jarige kunstenaar voor het eerst individueel tentoon, te Antwerpen. Kunstenaars, kunstkenners en critici waren vol lof, maar Smits verkoopt er niets. Het geëxposeerde meesterwerk ‘De vader van de veroordeelde’ wordt later dat jaar wel aangekocht door het museum van Brussel. Financieel gaat het Smits vanaf dan wat beter, maar zijn familiale verantwoordelijkheden wogen zwaar: in 1903 neemt hij zijn beide ouders, door diefstal geruïneerd, bij zich in huis. Vanaf dan moet hij negen gezinsleden onderhouden.

In 1907 organiseert Jakob Smits op vraag van het Molse gemeentebestuur een internationale tentoonstelling van kunstenaars die te Mol en omgeving landschappen schilderen. Niet minder dan 68 schilders nemen eraan deel. Onder hen Duitsers, Nederlanders, Engelsen en Amerikanen. Het begrip ‘Molse School’ is geboren. In 1910 publiceert Smits een album met 25 etsen, opgedragen aan Koningin Elisabeth. In 1912 wordt de jonge Dirk Baksteen zijn leerling en assistent.

Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog legt Smits penseel en krijt neer, en wordt hij voorzitter van het ‘Comité voor hulpverlening en voedselvoorziening van het kanton Mol’. Na de oorlog gaat hij weer met volle overgave aan het werk, en verbaast hij de kunstwereld met schilderijen die getuigen van een totaal nieuwe visie en stijl. Vanaf 1923 gaat zijn gezondheidstoestand stelselmatig achteruit. Smits lijdt aan kanker van het kaakbeen, wat hem hevige pijn bezorgt. Strijdbaar als hij is, wil hij zich echter niet gewonnen geven en schildert hij door. Op 15 februari 1928 overlijdt hij aan een hartaanval. Hij wordt begraven op het kerkhof van Mol-Achterbos. Een bronzen Moeder en kind van George Minne siert er zijn graf. Zijn vrouw Josine overleeft hem 28 jaar. Na haar dood wordt het Malvinahof verkocht.